Bijdrage vzw Objectief in het debat over de wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit

Inleiding

Een meerderheid van de partijen vertegenwoordigd in de Kamer, wenst een wijziging van het wetboek van de Nationaliteit.

We vinden het belangrijk dat de leden van de commissie Justitie tijdens hun bespreking van de wetswijziging, kennis nemen van de ervaringen en de standpunten van de organisaties van het werkveld. Die organisaties kunnen beter dan wie ook de ervaringen van de aanvragers weergeven. Naast de parketten, de dienst Vreemdelingenzaken, de Staatsveiligheid, de dienst Naturalisaties en de gemeentelijke ambtenaren, zouden hun ervaringen en inzichten best ook aan bod komen in het parlementaire debat.

Met deze tekst willen we een bijdrage leveren aan het debat in de commissie op basis van onze jarenlange praktijkervaring (zie ook www.allrights.be) en die van onze collega’s.

Doelstellingen van een wetswijziging

Het debat over de nationaliteitsverwerving kadert binnen het maatschappelijk debat over de vraag hoe onze samenleving omgaat met het feit dat een belangrijke deel van de bevolking van vreemde afkomst is.

De nationaliteitsverwerving is daarin een belangrijk element omdat de nationaliteit de rechtsband vormt die een persoon verbindt met een bepaalde staat, met wederzijdse rechten en verplichtingen. Het heeft dus een belangrijke invloed op het sociale en politieke leven van de betrokkene, die – en dat moeten we goed voor ogen houden - wettelijk in het land verblijft.

De vraag is: welke rol kan de nationaliteitsverwerving spelen, hoe kan ze een hefboom zijn tot een beter samenleven van diverse bevolkingsgroepen, hoe kan ze bijdragen tot sociale vooruitgang.

In dit debat merken we twee verschillende benaderingen. De enen zien de nationaliteitsverwerving als de kers op de taart, als de bekroning van een perfecte integratie in de samenleving. Anderen – en ook de meeste aanvragers, zoals we in onze dagelijkse praktijk vaststellen - zien de nationaliteit als een hefboom voor sociale emancipatie, naar een betere integratie in onze samenleving. Ook de OESO stelde dit vast in haar laatste rapport ‘Migration Outlook 2010’. Uit haar onderzoek blijkt dat in de lidstaten van de OESO genaturaliseerde migranten beter geïntegreerd zijn in de arbeidsmarkt. Daarop geeft ze als aanbeveling om de toegang tot de naturalisatie te vereenvoudigen en aan te moedigen.

De wetgever zou een verkeerd signaal geven naar de gemeenschappen van vreemde afkomst en naar de bevolking in het algemeen, als hij van de nationaliteitsverwerving een instrument van (sociale) selectie en van uitsluiting zou maken. Internationale studies stellen immers vast dat de beperking van de toegang tot de nationaliteitsverwerving in onze buurlanden effectief neerkomt op een sociale selectie. De zwaksten in de samenleving vallen als eersten uit de boot. Deze mensen, die nochtans een vast verblijf hebben, voelen zich uitgesloten en afgewezen. Het komt helemaal niet de integratie van deze mensen ten goede en kan alleen maar aanleiding geven tot gettovorming en toenemende spanningen.

Voorstellen en bemerkingen:

1. Het wetsontwerp van minister van Justitie De Clerck is goedgekeurd door de ontslagnemende regering en heeft een gunstig advies gekregen van de Raad van State. Daarom denken we dat dit wetsontwerp tegemoet komt aan de bekommernis van een meerderheid van de parlementsleden en kan door middel van een paar verbeteringen die rekenschap houden van de praktijk van het werkveld een goede vertrekbasis is voor een wetswijziging.

2. Wettelijk verblijf:

Het wetsontwerp van minister De Clerck houdt in het art. 7bis rekening met het arrest van het Hof van Cassatie van 20.02.2009. Dat is een positief punt: het brengt duidelijkheid en vermijdt verschillende interpretaties.

In de praktijk merken we dat korte onderbrekingen in de verblijfsdocumenten problemen geven bij het bepalen van het “ononderbroken karakter van het verblijf”. Het gaat dikwijls over ambtelijke uitschrijvingen door de gemeente, niet tijdig verlengen van de verblijfsdocumenten waarvoor soms de betrokkene maar ook de administratie verantwoordelijk is. Betrokkenen bewijzen in deze gevallen hun verblijf d.m.v. loonbrieven, rekeningen of andere documenten.

Daarom stellen we voor om in art. 7bis op te nemen dat de regeling voor het ononderbroken karakter van het verblijf, zoals voorzien in het wetsontwerp van minister De Clerck ook zou gelden ondanks onderbrekingen in de geldigheid van de verblijfsdocumenten.

3. De geboorteakte:

Dit document is essentieel bij het opstarten van de procedure en zorgt geregeld voor problemen. De interpretatie van de gemeentelijke ambtenaar kan ervoor zorgen dat de aanvrager niet eens een procedure kan opstarten (zie ook verder art. 15).

Om dit te vermijden is het absoluut nodig om art. 5 van de wet te verfijnen. Zo moet het duidelijk zijn dat een originele geboorteakte, opgehaald in het land van oorsprong, geen vervaldatum mag hebben. Aanvragers moeten soms veel moeite en geld investeren om dit document te bemachtigen.

Verder stellen we voor dat geboortebewijzen afgeleverd door de ambassades of consulaten in België als valabel worden aanvaard.

Voor de toepassing van dit artikel is het nodig dat de omzendbrief van de minister duidelijk en strikt is.

4. Minderjarige kinderen in het buitenland:

Vanuit de bekommernis om de verwerving van de nationaliteit migratieneutraal te maken voorzien alle voorstellen dat minderjarige kinderen van een ouder die de Belgische nationaliteit verwerft alleen maar Belg worden als ze hun hoofdverblijfplaats in België hebben. We vinden dit geen goede zaak omdat het een onderscheid in rechtspositie installeert tussen kinderen van eenzelfde ouder.

Indien een meerderheid van de Kamer vasthoudt aan deze wijziging, moet de wetgever zich wel bewust zijn dat ze een probleem creëert voor minderjarige kinderen die bvb. via gezinshereniging naar België komen na het verwerven van de Belgische nationaliteit van de ouder. Zij kunnen dan niet meer de Belgische nationaliteit verwerven vóór hun 18 jaar.

Daarom stellen we voor om in art. 12 te voorzien dat de minderjarige kinderen van een ouder die de Belgische nationaliteit verworven heeft, automatisch de Belgische nationaliteit verwerven op het moment dat ze vast verblijfsrecht krijgen in België. Dit vermijdt een onderscheid in rechtspositie tussen de in België wonende kinderen van eenzelfde ouder.

5. Art. 15 WBN:

a. De Wet van 27.12.2006 verlengde de adviestermijn van het parket tot 4 maanden waarbij de termijn gerekend wordt vanaf het afleggen van de verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die een ontvangstbewijs aflevert. Deze nieuwe bepaling maakte een einde aan veel verwarring en rechtsonzekerheid bij de aanvrager. Sindsdien merken we geen problemen meer op dit vlak. Er is een volledige transparantie bij de aanvrager: als het parket zich tegen de toekenning van de Belgische nationaliteit verzet, weet de aanvrager dit ten laatste na 4 maanden. Daarom vragen we met aandrang het behoud van deze bepaling.

b. De gemeentelijke ambtenaar speelt een cruciale rol bij deze en alle andere procedures, behalve bij de naturalisatie. Bij de naturalisatie kan de aanvraag rechtstreeks bij de kamer ingediend worden.
We merken veel problemen bij de ‘loketfunctie’ van de gemeentelijke ambtenaar, deels door een gebrekkige opleiding, deels door de eigen interpretatie van de wet. Indien de gemeentelijke ambtenaar de aanvraag niet in ontvangst neemt is de aanvrager volledig geblokkeerd. Hij heeft geen andere mogelijkheid om een aanvraag in te dienen, er is geen beroep mogelijk. Dit geeft aanleiding tot onmogelijke situaties waarbij een verhuis naar een andere gemeente de enige mogelijkheid is om alsnog een aanvraag te kunnen indienen.
De wetgever zou deze problemen kunnen vermijden door in de wet duidelijk de functie van de gemeentelijke ambtenaar te beperken tot het in ontvangst nemen van de aanvraag en de bewijsstukken. We stellen voor om in de wet op te nemen dat de ambtenaar in geen geval het neerleggen van een verklaring kan weigeren. Het is aan het parket om te oordelen of de basisvoorwaarden vervuld zijn.
De minister kan in zijn omzendbrief bepalen dat de ambtenaar nakijkt of het dossier volledig is en dat hij de aanvrager daarop wijst indien het niet het geval is. Dit om zoveel mogelijk onvolledige aanvragen te vermijden.

c. De beroepsprocedure zoals gesteld in art. 15 voorziet een termijn van 15 dagen om beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg. Indien de betrokkene binnen deze termijn niet in beroep gaat, maakt de ambtenaar de aanvraag over aan de Kamer, waardoor het een aanvraag tot naturalisatie wordt.
Deze procedure belast de commissie Naturalisaties met een groot aantal dossiers, terwijl het niet echt een beroepsprocedure is, gezien de betrokkene zich niet kan verdedigen.
Daarom stellen we voor de termijn voor het aantekenen van beroep te verlengen tot 30 dagen en de omzetting in een aanvraag tot naturalisatie te schrappen.

d. De laatste tijd stellen we ook problemen vast bij het betekenen van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg. Aanvragers die door een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg de Belgische nationaliteit verkregen, moeten soms tot acht maanden wachten op de betekening van het vonnis. Zolang het vonnis niet betekend is, kan de gemeente de betrokkene niet inschrijven als Belg.
Om deze problemen te vermijden, stellen we voor om in de wet op te nemen dat de betekening van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg dient te gebeuren binnen de 30 dagen na de uitspraak. Dit bevordert de transparantie van de procedure en de rechtszekerheid van de aanvrager. Hier ook moeten verbeteringen aangebracht worden.

6. Het ontnemen van de nationaliteit:

Het ontnemen van de Belgische nationaliteit is een zware maatregel en dient daarom ons inziens uitzonderlijk te blijven. Daarom vinden we dat het hof van beroep de aangewezen rechtbank is om uitspraak te doen in dergelijke gevallen.
Het ontnemen van de Belgische nationaliteit mag zeker niet de functie hebben van een dubbele straf.

7. Gewichtige persoonlijke feiten:

In de praktijk merken we een steeds ruimere interpretatie van het begrip ‘gewichtige persoonlijke feiten’, wat de rechtszekerheid van de aanvrager niet ten goede komt. Verkeersboetes, dossiers in onderzoek, dossiers zonder gevolg, een opschorting van de uitspraak (wat geen veroordeling is!) worden in rekening gebracht. Ook vroegere veroordelingen waarvoor eerherstel verkregen is, blijven meetellen.

Veroordelingen voor de politierechtbank gaan over het algemeen automatisch van het strafblad. Men kan die niet blijven in rekening brengen.

De procedure van het eerherstel (die maar één keer in de tien jaar kan gebeuren) is net voorzien om te vermijden dat een veroordeling waarvoor de betrokkene de straf heeft uitgezeten en de boetes betaald heeft, de re-integratie van de betrokkene in de samenleving in de weg zou staan, o.m. op het vlak van tewerkstelling. Door de Belgische nationaliteit te weigeren op basis van feiten vóór het eerherstel gaat men in tegen de doelstelling van deze procedure van eerherstel.

Men kan niet tegelijk van de aanvrager de wil tot integratie eisen en anderzijds voor dezelfde aanvrager levenslang de weg tot sociale integratie via de nationaliteitsverwerving afsluiten.

8. Opvolgingscommissie:

De tussenkomsten van organisaties van het werkveld hebben dikwijls te maken met problemen bij de interpretatie van de wet die soms verschillen van gemeente tot gemeente, tussen de gerechtelijke arrondissementen. Dezelfde problemen duiken steeds weer op omdat er geen duidelijk signaal komt naar de betrokkenen.

Om de rechtszekerheid en de uniformiteit in de toepassing van de verschillende procedures te bevorderen, stellen we voor een opvolgingscommissie op te richten met daarin afgevaardigden van de verschillende actoren die betrokken zijn bij de procedures van de nationaliteitsverwerving, en dus ook de organisaties uit het werkveld.

Deze commissie kan werken zoals een ombudsdienst en aanbevelingen formuleren met betrekking tot de toepassing in de praktijk van het wetboek van de Belgische nationaliteit.

Namens vzw Objectief, beweging voor gelijke rechten,
Eddy Maes, coördinator
Rachida Meftah, verantwoordelijke dossier nationaliteit
13 december 2010