Advies van vzw Objectief over de wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit

Dit advies is gebaseerd op een jarenlange praktijkervaring van vzw Objectief en van de organisaties van het terrein waarmee we nauw samenwerken rond de nationaliteitsverwerving. Het houdt ook rekening met de ervaringen van de aanvragers.

Het wetsvoorstel 0476 en de daarop ingediende amendementen vormen de basis voor de bespreking in de Kamer en dus ook van onderstaand advies.

Doelstellingen van een wetswijziging

Het debat over de nationaliteitsverwerving kadert binnen het maatschappelijk debat over de vraag hoe onze samenleving omgaat met het feit dat een belangrijke deel van de bevolking van vreemde afkomst is.

De nationaliteitsverwerving is daarin een belangrijk element omdat de nationaliteit de rechtsband vormt die een persoon verbindt met een bepaalde staat, met wederzijdse rechten en verplichtingen. Het heeft dus een belangrijke invloed op het sociale en politieke leven van de betrokkene, die – en dat moeten we goed voor ogen houden - wettelijk in het land verblijft.

De vraag is: welke rol kan de nationaliteitsverwerving spelen, hoe kan ze een hefboom zijn tot een beter samenleven van diverse bevolkingsgroepen, hoe kan ze bijdragen tot sociale vooruitgang.

In dit debat merken we twee verschillende benaderingen. De enen zien de nationaliteitsverwerving als de kers op de taart, als de bekroning van een perfecte integratie in de samenleving. Anderen – en ook de meeste aanvragers, zoals we in onze dagelijkse praktijk vaststellen - zien de nationaliteit als een hefboom voor sociale emancipatie, naar een betere integratie in onze samenleving. Ook de OESO stelde dit vast in haar laatste rapport ‘Migration Outlook 2010’ (www.oecd.org/dataoecd/12/11/45612399.pdf). Uit haar onderzoek blijkt dat in de lidstaten van de OESO genaturaliseerde migranten beter geïntegreerd zijn in de arbeidsmarkt. Daarop geeft ze als aanbeveling om de toegang tot de naturalisatie te vereenvoudigen en aan te moedigen.
De wetgever zou een verkeerd signaal geven naar de gemeenschappen van vreemde afkomst en naar de bevolking in het algemeen, als hij van de nationaliteitsverwerving een instrument van (sociale) selectie en van uitsluiting zou maken. Internationale studies stellen immers vast dat de beperking van de toegang tot de nationaliteitsverwerving in onze buurlanden effectief neerkomt op een sociale selectie. De zwaksten in de samenleving vallen als eersten uit de boot. Deze mensen, die nochtans een vast verblijf hebben, voelen zich uitgesloten en afgewezen. Het komt helemaal niet de integratie van deze mensen ten goede en kan alleen maar aanleiding geven tot gettovorming en toenemende spanningen.
 
Voorstellen en bemerkingen:
 
1.      Wettelijk verblijf (art 7. bis) – definitie van het wettelijk verblijf
Bij het bepalen van het wettelijk verblijf voorafgaand aan de aanvraag hebben we verschillende interpretaties vastgesteld. Het arrest van het Hof van Cassatie van 20 februari 2009 bracht duidelijkheid en maakte een einde aan de verschillende interpretaties.
De amendementen nr. 48 van mevrouw Lanjri c.s. (doc. 0476/004) en nr. 64 van de heer Brotcorne
(doc. 0476/005) liggen in de lijn van het vermelde arrest.
 
Onder wettelijk verblijf moet worden verstaan elk verblijf in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen met uitzondering van het kort verblijf zoals bedoeld in de artikelen 6, 40, § 3, en 40bis, § 3, van voormelde wet, alsmede het verblijf in de zin van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.
  
2.      Wettelijk verblijf (art. 7 bis) – ononderbroken karakter van het verblijf
In de praktijk merken we dat korte onderbrekingen in de verblijfsdocumenten problemen geven bij het bepalen van verblijfsduur.
Dikwijls gaat het over het niet tijdig verlengen van de verblijfsdocumenten waarvoor soms de administratie, soms de betrokkene verantwoordelijk is.
Het kan ook gaan over ambtelijke uitschrijvingen door de gemeente. Betrokkenen bewijzen in deze gevallen hun verblijf d.m.v. loonbrieven, rekeningen of andere documenten. Deze praktijk geeft aanleiding tot zeer verschillende interpretaties en willekeur waar deze wetswijziging best een einde aan stelt.
 
Zo betwistte het parket van Brussel het ononderbroken karakter van het verblijf van de heer N.G. die een nationaliteitsverklaring had afgelegd (art. 12 bis). Hij had een onderbreking tussen 10.10.2005 en 19.10.2005 (in het bezit van een bewijs van immatriculatie) en een andere tussen 9.10.2008 en 17.11.2008 (bij de overgang tussen zijn bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister voor onbeperkt verblijf en de elektronische kaart B voor vreemdelingen). Dat laatste blijkt niet helemaal correct te zijn, gezien op zijn elektronische kaart vermeld staat dat ze geldig is vanaf 17.10.2008.
Indien het parket vasthoudt aan deze interpretatie, rest N.G. alleen de mogelijkheid om in beroep te gaan bij de rechtbank van eerste aanleg van Brussel. Deze procedure neemt wel 2 jaar in beslag, terwijl deze onderbrekingen geen reden mogen zijn om N.G. de Belgische nationaliteit te weigeren. Uit onze ervaring blijkt immers dat de rechtbanken in dergelijke gevallen de Belgische nationaliteit toekennen.
 
De amendementen nr. 48 van mevrouw Lanjri c.s. (doc. 0476/004) en nr. 64 van de heer Brotcorne
(doc. 0476/005) bieden een oplossing voor het geval de aanvrager om diverse redenen voor korte tijd het land verlaten heeft. Deze amendementen brengen jammer genoeg geen oplossing voor het probleem van de onderbreking in de geldigheid van de verblijfsdocumenten. Daarom stellen we volgende toevoeging voor:
 
Het ononderbroken karakter van het verblijf wordt evenmin beïnvloed door onderbrekingen in de geldigheid van de verblijfsdocumenten voor zover deze onderbrekingen in totaal de duur van 1/6 van de in dit Wetboek vereiste termijnen niet overschrijden.
 
Deze toevoeging is van belang voor aanvragers die het land niet verlieten en er gedurende de hele periode wettelijk verbleven. Alleen zijn er (korte) onderbrekingen in de geldigheid van hun verblijfsdocumenten.
 
3.      Kennis van een landstaal (art. 3 van het wetsvoorstel 0476)
We zijn van mening dat de kennis van één van de landstalen niet mag worden opgenomen in ‘Hoofdstuk I – Algemene bepalingen’, zoals we argumenteerden in de paragraaf ‘Doelstellingen van een wetswijziging’.
Het amendement nr. 2 van de heer Frédéric c.s. (doc. 0476/002) voorziet het weglaten van dit art.
  
4.      Minderjarige kinderen in het buitenland (art. 12 WBN)
Vanuit de bekommernis om de verwerving van de nationaliteit migratieneutraal te maken voorziet het wetsvoorstel 0476 dat minderjarige kinderen van een ouder die de Belgische nationaliteit verwerft alleen maar Belg worden als ze hun hoofdverblijfplaats in België hebben, maar houdt geen rekening met het feit dat die minderjarige kinderen via gezinshereniging hun ouders kunnen komen vervoegen in België.
De voorgestelde regeling kan wel tot gevolg hebben dat er een onderscheid in rechtspositie komt tussen kinderen van eenzelfde ouder.
 
Het amendement nr. 3 van de heer Frédéric c.s. (doc. 0476/002) neemt deze problematiek ter harte in het geval van gescheiden ouders.
Het biedt evenwel geen oplossing voor minderjarige kinderen die door familiehereniging in België komen wonen na het verwerven van de nationaliteit van één van de ouders. Daarom stellen we voor om na de eerste paragraaf van dit amendement een paragraaf toe te voegen:
 
Het eerste lid is eveneens van toepassing op het minderjarige kind dat zijn in België wonende ouder of adoptant vervoegt door gezinshereniging nadat die de Belgische nationaliteit verkregen of herkregen heeft.
 
De voorgestelde paragraaf zorgt ervoor dat er in dat geval geen onderscheid in rechtspositie is (Belgen en niet-Belgen) tussen de minderjarige kinderen van eenzelfde ouder, binnen eenzelfde gezin.
De toekenning van de Belgische nationaliteit gebeurt dan bij het inschrijven van het betreffende minderjarige kind in het bevolkingsregister.
  
5.      De nationaliteitsverklaring (art. 12 bis WBN – art. 5 van het wetsvoorstel 0476)
Het artikel 5 van het wetsvoorstel voorziet enkele onredelijke voorwaarden voor vreemdelingen die hier geboren zijn, meerderjarige kinderen van een Belgische ouder en vreemdelingen met een langdurig verblijf.
Men kan toch het integratiecriterium niet vragen van mensen die hier geboren zijn en gans hun leven in België verbleven, net zo min als aan de andere in het artikel bedoelde vreemdelingen.
 
Net als het amendement nr. 67 van de heer Brotcorne (0476/005) stellen we volgende wijzingen voor:
1) in het 1°, het 2° en het 3° de woorden “en voldoet aan de integratiecriteria” weglaten;
2) in het 2° de woorden “vijf jaar” vervangen door de woorden “drie jaar”;
3) in het 2° de woorden “reeds gedurende minstens tien jaar” weglaten;
4) in het 3° de woorden “tien jaar” vervangen door de woorden “zeven jaar”.
 
 6.      Het verloop van de nationaliteitsverklaring (art. 15 WBN – art. 7 van het wetsvoorstel 0476)
a)       De gemeentelijke ambtenaar speelt een cruciale rol bij deze en alle andere procedures, behalve bij de naturalisatie, gezien men. bij de naturalisatie de aanvraag rechtstreeks bij de kamer kan indienen.
We merken veel problemen bij de ‘loketfunctie’ van de gemeentelijke ambtenaar. Indien de gemeentelijke ambtenaar de aanvraag niet in ontvangst neemt is de aanvrager volledig geblokkeerd. Hij heeft geen andere mogelijkheid om een aanvraag in te dienen, er is geen beroep mogelijk. De wetgever kan deze problemen vermijden door in de wet duidelijk de functie van de gemeentelijke ambtenaar te beperken tot het in ontvangst nemen van de aanvraag en de bewijsstukken. De ambtenaar mag in geen geval de mogelijkheid hebben om het neerleggen van een verklaring te weigeren en we stellen daarom voor deze functie te beperken tot het in ontvangst nemen van de aanvraag. Het is aan het parket om te oordelen of de basisvoorwaarden vervuld zijn.

Vanuit deze bekommernis stellen we volgende wijziging voor in het amendement nr. 6 van de heer Frédéric c.s. (doc. 0476/002) (voorgestelde aanpassingen in het vet):
 
 
Art. 7
Dit artikel vervangen door wat volgt:
 
“Art. 7. Artikel 15 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt:
 
“Art. 15. § 1. De verklaring wordt tegen ontvangstbewijs afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de verklaarder zijn hoofdverblijfplaats heeft. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft het ontvangstbewijs af wanneer de bij de aanvragen en verklaringen te voegen stukken werden ingediend. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de akten en de stavingsstukken die bij de verklaring moeten worden gevoegd.
(…)
 
§ 2. Binnen een termijn van vier maanden, te rekenen van de dag van het afleggen van de verklaring voor de ambtenaar van de burgerlijke stand zoals bedoeld datum van het in § 1, eerste lid, bedoelde ontvangstbewijs van de verklaring, kan de procureur des Konings een negatief advies uitbrengen inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten, eigen aan de persoon, die hij in de motivering van zijn advies dient te omschrijven, of wanneer de grondvoorwaarden, die hij moet aangeven, niet vervuld zijn.
(…)
 
De minister kan in zijn omzendbrief bepalen dat de ambtenaar nakijkt of het dossier volledig is en dat hij de aanvrager daarop wijst indien het niet het geval is. Dit om zoveel mogelijk onvolledige aanvragen te vermijden.
 
b)       De beroepsprocedure zoals voorzien in het huidige Wetboek en in het amendement nr. 6 van de heer Frédéric c.s. (doc. 0476/002) voorziet een termijn van 15 dagen om beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg. Indien de betrokkene binnen deze termijn niet in beroep gaat, maakt de ambtenaar de aanvraag over aan de Kamer, waardoor het een aanvraag tot naturalisatie wordt.
Deze procedure belast de commissie Naturalisaties met een groot aantal dossiers, terwijl het niet echt een beroepsprocedure is, gezien de betrokkene zich niet kan verdedigen.
In onderstaande wijzigingen stellen we voor de termijn voor het aantekenen van beroep te verlengen tot een redelijke termijn van 30 dagen en de omzetting in een aanvraag tot naturalisatie te schrappen.
 
(Nr. 6 VAN DE HEER FRÉDÉRIC c.s. – vervolg)
 
§ 3. Het negatief advies van de procureur des Konings moet met redenen zijn omkleed. Het wordt door toedoen van de procureur des Konings betekend aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en, bij een ter post aangetekende brief, aan de verklaarder.
 
De procureur des Konings of de ambtenaar van de burgerlijke stand deelt aan de verklaarder mee dat, tenzij hij de aanhangigmaking bij de rechtbank vraagt overeenkomstig § 4, zijn dossier door de ambtenaar van de burgerlijke stand zal worden overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, zodat de verklaarder binnen de termijn van één maand bij de griffie van de Kamer van volksvertegenwoordigers een memorie van antwoord kan indienen.
 
De ambtenaar van de burgerlijke stand zendt het dossier, alsook zo nodig het negatief advies van
de procureur des Konings, over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers of, met toepassing van § 4, aan de rechtbank van eerste aanleg. De overzending aan de Kamer van volksvertegenwoordigers geldt als naturalisatieaanvraag, waarover de Kamer van volksvertegenwoordigers beslist overeenkomstig artikel 21, § 4.
 
§ 4. Binnen dertig vijftien dagen na ontvangst van het negatief advies als bedoeld in § 2, kan de belanghebbende bij een ter post aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen zijn dossier over te zenden aan de rechtbank van eerste aanleg.
 
De rechtbank van eerste aanleg doet, na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen, uitspraak over de gegrondheid van het negatief advies. De beslissing wordt met redenen omkleed.
 
De beslissing wordt aan de belanghebbende ter kennis gebracht door toedoen van de griffie van de rechtbank van eerste aanleg procureur des Konings. De belanghebbende en de procureur des Konings kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving hoger beroep instellen tegen de beslissing, bij een aan het hof van beroep gericht verzoekschrift. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
(…)
 
c)        De laatste tijd stellen we ook problemen vast bij het betekenen van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg. Aanvragers die door een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg de Belgische nationaliteit verkregen, moeten soms tot acht maanden wachten op de betekening van het vonnis. Zolang het vonnis niet betekend is, kan de gemeente de betrokkene niet inschrijven als Belg.
Om deze problemen te vermijden, stellen we voor de laatste paragraaf van het amendement te wijzigen zodat de griffie belast wordt met het betekenen van het vonnis.
  
7.      Via huwelijk met een Belg(ische) (art. 16 WBN – art. 8 van het wetsvoorstel 0476)
We stellen voor om de criteria van het huidige art. 16 WBN te behouden. Zeker als men een verblijf van onbepaalde duur eist op het moment van de aanvraag, verlengt men reeds de gevraagde de verblijfsduur.
 
 
8.      Het ontnemen van de nationaliteit:
Het ontnemen van de Belgische nationaliteit is een zware maatregel en dient daarom ons inziens uitzonderlijk te blijven. Daarom vinden we dat het hof van beroep de aangewezen rechtbank is om uitspraak te doen in dergelijke gevallen. Het ontnemen van de Belgische nationaliteit mag zeker niet de functie hebben van een dubbele straf.
Daarom stellen we voor om art. 13 tot 15 van het wetsvoorstel 0476 weg te laten.
  
9.      De geboorteakte:
Dit document is essentieel bij het opstarten van de procedure en zorgt geregeld voor problemen.
Om problemen met de geboorteakte te ondervangen heeft de wetgever in 2000 een getrapt systeem ingevoerd in art. 5 WBN. In de uitvoering ervan blijkt nog een ruime marge van interpretatie te zitten, wat heel wat problemen veroorzaakt. Zo weigeren sommige ambtenaren van de burgerlijke stand een vervangend document van de ambassade of het consulaat, terwijl dit in de procedure van de naturalisatie tot nu toe geen probleem vormde.
De diplomatieke diensten zijn erkend door België en hebben de bevoegdheid om vervangende documenten af te leveren. We zien dan ook niet in waarom deze documenten niet geldig zouden zijn.
Bovendien merken we dat sommige gemeenten een geldigheidsduur van 6 maanden invoeren voor originele geboorteakten. Aanvragers die heel wat tijd en geld spendeerden om het document met alle nodige legalisaties te bemachtigen, zien al hun inspanningen teniet gedaan.
 
Om dit te ondervangen stellen we voor:
-      Ofwel het schrappen van de akte van geboorte van de lijst van documenten die nodig zijn bij de aanvraag van de Belgische nationaliteit. Om de identiteit van de aanvrager vast te stellen, hoeft de akte van geboorte niet te worden voorgelegd. Meestal werd de identiteit al vastgesteld bij de afgifte van de documenten voor het verblijf in België, op grond van een paspoort (dat een veel betrouwbaarder document is dan een akte van geboorte), of precies een akte van geboorte.
 
-      Ofwel door de wijziging van § 1 van art. 5 WBN en de toevoeging van een nieuwe § 5:
 
§ 1. In het kader van procedures tot verwerving van de Belgische nationaliteit kan de aanvrager gebruik maken van een akte van geboorte of een gelijkwaardig document overleggen, afgeleverd door de diplomatieke of consulaire overheden van hun land van geboorte. De aanvrager kan de akte van geboorte vervangen door een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van hun hoofdverblijfplaats.
(…)

§ 5. De geldigheid van een akte van geboorte voorzien van de nodige wettigingen is niet beperkt in de tijd.
 
10. Opvolgingscommissie:
De tussenkomsten van organisaties van het werkveld hebben dikwijls te maken met problemen bij de interpretatie van de wet die soms verschillen van gemeente tot gemeente, tussen de gerechtelijke arrondissementen. Dezelfde problemen duiken steeds weer op omdat er geen duidelijk signaal komt naar de betrokkenen.
Om de rechtszekerheid en de uniformiteit in de toepassing van de verschillende procedures te bevorderen, stellen we voor een opvolgingscommissie op te richten met daarin afgevaardigden van de verschillende actoren die betrokken zijn bij de procedures van de nationaliteitsverwerving, en dus ook de organisaties uit het werkveld.
Deze commissie kan werken zoals een ombudsdienst en aanbevelingen formuleren met betrekking tot de toepassing in de praktijk van het wetboek van de Belgische nationaliteit.
 
 
Namens vzw Objectief, beweging voor gelijke rechten
Eddy Maes, coördinator en Rachida Meftah, verantwoordelijke dossier nationaliteit
12  januari 2011