Integratieplicht terug in opmars

Sinds mei 2000 moeten migranten hun “integratiewil” niet meer bewijzen als ze de Belgische nationaliteit willen verwerven. Tijdens de voorbije verkiezingscampagne bleek dat heel wat politici de klok willen terugdraaien. Tijd dus om wat tegengas te geven.

De taal

Het meest gehoorde argument is dat men toch minstens de taal moet kennen van de regio waar men woont. Hoe kan men anders contact hebben met de mensen rondom zich?

Het is inderdaad een groot voordeel voor het sociale contact, voor de relatie met de school van de kinderen en voor de tewerkstelling dat men de taal van de streek meester is. Het is dan ook niet te verwonderen dat taalcursussen met een zeer grote vraag zitten en dus met lange wachtlijsten. De overheid geeft ook onvoldoende middelen, en komt hier dus tekort in haar integratieplicht. Want eigenlijk zou integratie een positief proces moeten zijn waarbij degene die in ons land komt wonen en werken, geholpen wordt om optimaal te functioneren in zijn nieuwe omgeving. Een essentiële factor van een goede integratiepolitiek is dan ook het toekennen van gelijke rechten.

Examen

Integreren betekent in essentie – ook taalkundig! - dat de meerderheid inspanningen levert om de minderheid op te vangen binnen de gemeenschap. De overheid moet daarbij de motor zijn.

Maar nu draait men de zaken om: de integratie wordt een eis die men aan de mensen van migrantenorigine stelt. Het wordt een examen waarin je moet slagen om aanvaard te worden. Het gaat zelfs zo ver dat men jongeren die hier geboren zijn of die op zeer jonge leeftijd naar België kwamen, verwijt dat ze niet of onvoldoende geïntegreerd zijn. Dat is toch absurd! Tenzij men een bepaald sociaal en religieus gedrag als “niet geïntegreerd” beschouwt. En dat is dan ook het geval voor sommige “autochtone” sociale groepen.

Een dergelijke opvatting over integratie stigmatiseert mensen van migrantenorigine als “onaangepast”, ook naar de bevolking toe, en geeft voeding aan het racisme.

Sociaal criterium

De politici die terug willen naar het integratiecriterium bij de nationaliteitsverwerving willen we toch even herinneren aan de praktijk van toen dit criterium nog gehanteerd werd. We zullen het niet hebben over het bekende “bloemkool met witte saus”-fenomeen, maar enkele voorbeelden aanhalen waar precies de kennis van de taal de struikelblok bleek.

Een Limburgse mijnwerker van Turkse origine kreeg een weigering omwille van een onvoldoende integratie “namelijk wat betreft de kennis van de Nederlandse taal en de omgang met de Belgische bevolking.” De man had 11 jaar in de mijn gewerkt, en was omwille van een ongeval in de mijn op brugpensioen gezet. “Dat mijn integratie geen voldoening geeft, versta ik niet, 11 jaar tussen mensen van verschillende nationaliteiten werken, hier reeds sedert 1974 wonen tussen mensen van én Belgische én andere nationaliteiten, volstaan niet om geïntegreerd te zijn? In 1974 moest ik niet geïntegreerd zijn om in de mijn te werken, en niemand heeft ons geduid wat dat betekent,” schreef de man in een brief aan de naturalisatiecommissie. Tevergeefs.

Taallessen voor zestigjarigen

Ahmed werkte 19 jaar bij Opel in Antwerpen toen zijn aanvraag een jaar werd uitgesteld omwille van onvoldoende kennis van het Nederlands. Heeft hij zich die 19 jaar alleen verstaanbaar gemaakt met gebarentaal? Ahmed is verschillende keren begonnen aan een taalcursus. Een eerste keer moest hij afhaken omwille van familiale problemen, een andere keer omwille van ploegenwerk. Voor gewone arbeiders is het op zich al niet eenvoudig om een taal te leren. Zeker als je moeite hebt met leren lezen en schrijven. Ploegenwerk en onregelmatige werkuren maken het nog extra moeilijk.

Zo hebben we het meegemaakt dat een 62-jarige Marokkaanse vrouw geweigerd werd omwille van haar gebrekkige kennis van het Frans. Al haar kinderen hebben de Belgische nationaliteit. Toen haar man overleed, was het duidelijk dat ze definitief bij haar kinderen zou blijven. Vanuit die keuze vroeg ze dan ook de Belgische nationaliteit aan. De vrouw had zich hoofdzakelijk met het huishouden en de opvoeding van de kinderen bezig gehouden, en haar sociale contacten lagen vooral binnen de familie, waardoor haar kennis van het Frans zeer beperkt gebleven was.

Haar man heeft zijn het grootste deel van zijn jonge leven in België gewerkt, haar kinderen zijn volwaardige burgers, maar toch vindt de Belgische overheid dat deze vrouw het niet “verdient” om de Belgische nationaliteit te krijgen.

Met de natte vinger

Integratie en taalkennis zijn sociale criteria. Voor de buitenlandse managers die alleen Engels spreken, is er geen integratieprobleem. Wie de middelen heeft, of wie hoger geschoold is, kan ook makkelijker de taal leren spreken. Voor heel wat mensen die uit een Derdewereldland komen, en die soms niet of met moeite kunnen lezen en schrijven, is dat niet vanzelfsprekend. Iemand die laaggeschoold is en alle moeite heeft om rond te komen heeft haast geen kansen om de taal goed te leren.

Bovendien gaf het integratieonderzoek onder de oude nationaliteitswet aanleiding tot vernederende onderzoeken door de wijkagent, en vooral tot heel wat willekeur. Wanneer is iemand geïntegreerd? Wat zijn daarbij de referentiepunten, en wie beslist daarover?

Een herinvoering van het integratiecriterium kan alleen de willekeur bij de nationaliteitsverwerving verhogen, en daarom zullen we ons daar met alle mogelijke middelen tegen verzetten.

Eddy Maes